lijst van werken
vorige bladzijde


vorige bladzijde omdat hij niet het nièt-zwoegen kon zijn. Ook het voortzwoegen, het ondanks moeheid, mislukking, doelloosheid, ontgoocheling, miskenning, armoede voortzwoegen behoort onlosmakelijk tot de categorische imperatief van de met zijn natuur gegeven daimoon. Het, is zelfs geen ontrouw of ònverdienstelijkheid, als hij zijn werk en leven vervloekt, contra-krachten toelaat en het werk, moe en verbitterd, weigert, want wat die daimoon in hem vergt, levenslang van hem blijft vergen, gaat zijn kracht als mens schier te boven. Men moet wel rusten soms, men moet wel verzet worden en willen door die daimoon met rust gelaten te worden. – Maar het baat niet. Zijn verbeeldingsleven gaat onverminderd voort in die tijd en ook het scheppend aan de arbeid zijn – zij het enkel in de geest – houdt niet op. Het is zelfs zo, dat zijn kunnen geenszins onder dat verzet of die weigering lijdt, integendeel: ook uit zulk een periode treedt de vormkracht gezuiverd en verhelderd en sterker te voorschijn – met als gevolg (o ironie) een hernieuwde scheppingswil, een opnieuw met zijn menselijke totaliteit slaaf willen zijn van zijn daimoon. Die daimoon is veel sterker dan alles wat hij als mens daartegen in het geweer kan brengen. Hij leeft niet, als hij die daimoon niet heeft. En wat kan hij anders willen dan leven, dan willen zijn wat hij is: die daimoon!
    Al de waarachtig groten, op welk gebied van scheppende werkzaamheid ook, muziek, dichtkunst, wijs(heid)begeerte, wetenschap, zijn door zulk een innerlijke daimoon welke het uiterste van hen vergde, voortgedreven èn levenslang getiranniseerd: Bach zo goed als Hölderlin, Plato zo goed als Mozart, Goethe zo goed als Balzac, Thomas zo goed als Spinoza.
    Ook de grote heiligen zijn mede krachtens hun natuur, hun bepaalde menselijke structuur, hun natuurlijke begaafdheid, aanleg en geaardheid onontkoombaar voortgedreven naar dat uiterst bereikbare van innerlijke volmaaktheid dat zij tenslotte zijn geworden. Ook zij zijn van een met hun natuur gegeven daimoon bezeten geweest, in dit geval: de daimoon der innerlijke zuiverheid: de hen onaflaatbaar opjagende innerlijke dwang om in elke verhouding – tot God, tot de mensen, tot zichzelf – volkomen zuiver te zijn, zonder bedrog, zonder wroeging; een drift die in hun geval gepaard is gegaan met een natuurlijke dispositie om aan al de eisen van die daimoon te voldoen: een overgevoelig, helderziend geweten, dat elke onzuiverheid (hoe verholen ook) moest bespeuren en herkennen, en een wil, waarvan de gerealiseerde heldhaftigheid reeds als mogelijkheid met hun natuur gegeven was (en die zij dus tot de laatste mogelijkheid moesten zijn). Daarom geloof ik dat zij, in Christus de gestalte der volkomen zuiverheid gevonden en herkend hebbende, Christus tot het einde toe, tot het einde van hun mogelijkheden, en tot uitputtens toe telkens, moesten volgen, d.w.z. Hem, met alles waarover zij beschikten, in en met zichzelf moesten realiseren. Christus was het antwoord op de vraag die zij zelf met geheel hun existentie in excessieve vehementie primair en alles-overheersend waren. Met Christus werd heel die innerlijke aandrift plotseling gericht en de weg opgedreven naar zijn vervulling. Zij konden niet meer terug. Hij was de magneet, en hun wezen was (nagenoeg) geheel volgende bladzijde

233





















volgende bladzijde



aangemaakt: 27-10-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 27-04-2011