lijst van werken
vorige bladzijde


vorige bladzijde niet eens een ’ens reale’ genoemd kan worden. – Dát moment nu in de Godservaring is, zo wil ik zeggen, het meest reële moment van de Godservaring: eerst nu toch ervaart hij wezenlijk die Majestas Gods voor welke niets van de mens standhoudt: geen woorden en geen begrippen, geen geloof, geen hoop, geen liefde, geen natuurlijk en geen bovennatuurlijk leven, en geen van Gods werken. Hij is geheel duizeling, en alles ontvalt hem. Het meest reële moment in de Godservaring is dat moment waarin hij – naakt, vernietigd, ontredderd – waarlijk ervaart dat voor Gods Aangezicht geen enkele beveiliging standhoudt en gans zijn wezen de bevestiging is geworden van die andere uitspraak van diep religieus bewustzijn, dat het voor de mens vreeswekkend is in handen van de levende God te vallen. – Eerst dan, en niét waar hij nog liefde gevoelt, heeft hij waarlijk Gods Majestas ontmoet.
   Daar waar God Zijn wezenheid is en God waarlijk God wordt, is Hij tevens voor de mens de volstrekt Onleefbare. Hij is dit reeds voor hem, waar hij zijn laatste, negatieve weten is dat God een Onkenbare is, reeds daar dus waar hij zich nog op oneindig verre afstand van de uiterste periferie bevindt van Gods wezen, – dat slechts door God zelf gekend wordt. En het is mede en allereerst deze realiteit die de diepzinnige symbolentaal van het Oude Verbond ons onthult waar we lezen, dat de berg Sinaï niet alleen door geen mensenvoet betreden werd, maar dat ook mijlen ver in de omtrek geen voetstap van mensen werd vernomen en geen leven van plant of dier of mens nog mogelijk was. Dit is niet enkel een symbool voor de eerbied die de mens God verschuldigd is, maar allereerst en diepzinniger: een symbool van de voor mensen volstrekte onleefbaarheid van Gods wezen. Daar waar Hij is overeenkomstig Zichzelf, en ondoorgrondbaar in Zichzelf rust, vertoont zich een ontoegankelijk, woest en eenzaam hooggebergte waar geen enkele vorm van natuurlijk leven zich handhaaft.
   Daar waar God schoon wordt overeenkomstig Zijn wezen kunnen wij niet leven; de God die schoon is overeenkomstig Zijn wezen kunnen wij evenmin liefhebben. Iemand liefhebben betekent: niets méér verlangen dan het wezen van de beminde te kennen om zo diep mogelijk met de beminde één te worden, doch deze meest reële vorm van liefde is ten aanzien van God onbestaanbaar. Ons enige menselijke verlangen is: deze Onleefbare te ontvluchten, zo ver mogelijk te ontvluchten, en dat doen we ook. Wij hebben niet lief; wij vluchten weg voor Zijn Aangezicht, – en dit om een diepere realiteit dan onze zondigheid. – Wij kunnen wel, op andere momenten, bepaalde uitspraken en openbaringen van God liefhebben; wij kunnen God liefhebben als de bestendige Aanwezigheid in zijn schepping, als de bron van ons bestaan en als zoveel meer nog; wij kunnen enkele openbaringen, ’uitwerksels’ van de Onkenbare liefhebben (Christus, het geschapene), en dan nog slechts inzoverre die overeenkomstig de mens, overeenkomstig ónze natuur, ons wezen zijn en voorzover Gods wezen daardoor ’bedekt’ wordt; slechts in zoverre kan iets van Hem voor ons beminnenswaardig zijn, – overal elders echter, waar Hij is overeenkomstig Zijn wezen en God waarlijk God, is Hij voor ons onbeminbaar en onbemind. volgende bladzijde

146





















volgende bladzijde



aangemaakt: 24-04-2011 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 02-08-2013