lijst van werken
vorige bladzijde


382

    vorige bladzijde Hij kon ook niet meer gedwee luisteren naar het mannetje wanneer dit met zijn schijn-interesse voor het leven (o! het Lven!) zijn zinneloos verhaal kwam doen. t Pijnigde hem, joeg hem op: hij voelde dan doorheen heel dat gesprek niets dan de hopeloze vergeefsheid, de afgrond van alle schijn (een schijn, die het mannetje zlf nog niet eens had ontdekt). Dan beangstigde hem de gedachte: dat misschien ook dt nog eens, zou worden weggeslagen en dat hij dan niets, niets meer zou bezitten om zich achter te kunnen verbergen! dan zou hij, oud en hulpeloos, zien zijn leven zonder echo, zonder achtergrond, en dat het zich voortbewoog alln, alln. Dan zag hij voortdurend het mannetje zoals het scharrelde door het nauwe donkere gangetje naar t binnenplaatsje de handen even gestrekt als tastte het in den blinde.
    En hij kon ook niet meer luisteren naar het geklaag van de juffrouw waarin ze zich meer en meer had laten gaan omdat ze aan hem tenminste iemand had aan wie ze haar hart kon luchten al zei hij dan weinig terug. Hij had gezien hoe al het vrouwelike uit haar karakter was weggeknaagd, hoe zij helemaal stond leeggehaald en hoe dat alles in heel zn barre realiteit aan haar was voorbijgegaan. Het leven voltrok zich in haar o, de oneindig-wijde stilten eromheen en niets anders had ze bemerkt dan dat het winkeltje verliep en de toekomst beklemmend was.
    Hij leefde niet met de mensen-zlf, d.w.z. hij kon hun leven niet zien zoals zij dat zlf zagen, maar hij leefde met de beangstigende schaduwen die van achter de kernen hunner stille langzame dagen opsprongen en verwrongen wegdansten naar het weerloos-gespannen doek van zijn ziel, dat niets anders deed, niet anders kon: dan die schaduwen opvangen.
    En altijd de stilte van zijn kamer met het grove behang, rood-bruin als oud, sinds lang gestolten bloed, de stilte van dat oude, verloren huisjes-donker waarin bij tijd en wijle het rinkelbelletje dat hem terug deed denken aan zijn armelik voorbijgegane jeugd; altijd die twee ontwrichte mensenleventjes die hij onderging, mee moest lijden en, heviger als zij-zelven doorleed: een wezenloos verweer dat wezenlozer nog verzinken zou.
    Maar je moest vechten, vechten, weten te overzien, helder; je moest sterk zijn, wreed desnoods, om tot het bittere einde je vrij te vechten! Tot je onafhankelik stond, en alles nder je had, lles bedwongen nder je!
    En hun machteloosheid, hun wezenloos en doelloos verweer prikkelden hem, brachten hem in een nerveuze spanning, verbitterden hem omdat hij het niet ontkomen kon, telkens in dat afgelopen leven moest terugkeren. Als een zwemmer, reddeloos aldoor in dezelfde kolk teruggezogen. volgende bladzijde
HENRI BRUNING.























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 02-08-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-10-2010