heeft opgehouden en wordt een welhaast imaginaire grootheid. Geestelijk leeft men vele malen verschraalder, bevreesder, onmachtiger: romantischer, en ook het aardsche leven verliest zijn onversaagd, fel en eruptief karakter; de levenskracht verzwakt, de polsslag van het bloed( en daarmee van den geest) vertraagt, en wat eens gevoelig was, wordt vaak huilerig en druilerig. Men moet thans moeite doen om te waardeeren. Men moet heel welwillend gestemd zijn (in eeuwfeeststemming!) om de „algemeen bekende” Camera Obscura ter hand te nemen en zich met den „raken, geestigen opmerker”, zooals Hildebrand heet, „kostelijk te amuseeren”. Betje Wolff en Aagje Deken — uiterst verdienstelijk tweetal, maar een beetje onleesbaar toch, Elisabeth Maria Post — langdradig-kosmisch en komisch. Rhijnvis Feith idem. Jacobus Bellamy idem. — En dan ineens een gestalte weer: de hemelbestormende Bilderdijk. Later weer Potgieter, een gevoelige en tegelijk sterke geest, een man met levensstijl. Busken Huet, doordringend en gevreesd essayist (helaas niet vertegenwoordigd). Dan Alberdingk Thijm, fijnzinnig bespiegelaar — een figuur, men bemerkt het reeds aan het accent waarmede hij spreekt, die meer dan schouderhoog boven tijdgenooten als Conscience, Beets en diergelijke, uitstak. Bij Cremer bemerkt men alleen (geeuwend), dat die gezapig-gevatte en gezapig-amusante verteller nog altijd niet dood is (hetgeen trouwens niet noodig is). Plotseling is er dan Multatuli, de opstandige, wiens woord ons nog altijd doet trillen. Naast hem de navrante (maar toch niet meer zóó navrante) cynismen van Piet Paaltjens, en ook in hem leeft het verzet tegen de vele „schimmen zonder bewustzijn” van zijn eeuw.


DAN volgt de periode der modernen, en met een prachtige doorbraak, reeds met Multatuli’s imperatief, „De roeping van den mensch is Mensch te zijn”, ingezet, herneemt het leven zijn rechten, nemen de grooten van dien tijd zichzelf heerschzuchtig in bezit. Wat ingedommeld was, schrikt wakker, het revolteerende krijgt gestalte en stootkracht. De Beweging van Tachtig was een onstuimige en trotsche branding die imperieus kwam opzetten, die niet te pletter sloeg, doch breed en in tallooze golven over de Hollandsche en Vlaamsche stranden uitrolde, tot zij fonkelend stil viel en toen terugebde, doch niet dan nadat dit geslacht zich prachtig had gerealiseerd.
     Kunst, zeide Kloos, is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, en nog altijd is deze definitie, niet van het wezen der kunst, doch van haar creatief moment, onomstootelijke waarheid. Geen enkele emotie, hoe algemeen menschelijk van wezen, of zij moet allerindividueelst zijn doorleefd en allerindividueelst gestalte krijgen. Men moet niet meenen, dat dit „allerindividueelste” iets nieuws was, of dat een komende kunst aan deze norm kan ontsnappen. Bredero was niet minder allerindividueelst dan Gezelle; Gezelle niet minder dan Rembrandt; Rembrandt niet minder dan Vermeer; Vermeer niet minder dan Hamsun; Hamsun niet minder dan Goethe, Nietzsche of Cocteau; Henriette Roland Holst niet minder dan A. Roland Holst. Elke stem is persoonlijk, en is daarmee ook allerpersoonlijkst, een zoo volledig mogelijk gestalte te geven aan zichzelf. En als men zegt, dat een woord onvervangbaar moet zijn, zegt men slechts, dat het woord allerindividueelst moet zijn. Zonder een allerpersoonlijkste emotie en een allerpersoonlijkste expressie zouden wij geen gedicht bezitten als het Wilhelmus, een volkslied, waarmede wij uniek zijn onder de volken van Europa; zonder hun allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie zouden de sonnetten van Kloos thans niet klassiek zijn — door vormkracht, vormpracht en hun nog steeds even levend gebleven ontroering. De sonnetten van Kloos, de verzen van Gorter en Leopold, het proza van Van Deyssel, de verbeeldingen van Van Looy, de gedichten van Van Eeden en Verwey, zij behooren nog altijd tot het edelste, dat de moderne literatuur heeft voortgebracht. Voor onbegrijpelijk uitgekreten in hun tijd, zijn deze scheppingen thans voor iederen kunstgevoelige helder verstaanbaar. Men kan Kloos niet vereenzelvigen met zijn scheldsonnetten, zijn latere gedichten, noch Gorter met het sensitivistisch extremisme van zijn „Dagen”; men moet deze figuren vereenzelvigen met het werk, waarin zij zich het volledigst en zuiverst gerealiseerd hebben, en dan is men gedwongen te erkennen, dat hun arbeid een monument onzer letteren vertegenwoordigt, klassiek en in zich voldragen is. Het individualisme dezer menschen was een scheppend zichzelf verwerkelijken, een trotsch geloof aan zichzelf en het leven, een voortdurende strijd om geestelijke waarden, en men kan het in niets op één lijn stellen met het „oeverloos individualisme” van hen,

„DE WAAG”, 13 FEBR. 1941
















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 22-01-2012