lijst van werken
vorige bladzijde




F R A G M E N T


Het najaar vlaagt door takken naakt en zwart,
de wolken jagen snel en somber door den avond,
en een gestalte luistert naar het ruischen aan de ramen
een duister stooten, als zijn duister hart.

En hij bepeinst de eenzaamheid der menschen en Uw
[eenzaamheid:
dit weerzijdsch kwellen en dit weerzijdsch niet verstaan;
deze nu levenslang met U reeds durende gemeenzaamheid
van samenkomen, en steeds leeger henen gaan.

O, dit steeds meer vervreemden, en steeds wreeder vinden,
dit onverbreekbaar op elkander toegewezen zijn,
en steeds dit eene wreed, diep-vermoeide vragen o beminde,
waarom wij ons verdroegen in zoo lang verbond van pijn.

Waarom dit onherroepelijk U toebehooren
in eene stilte die steeds somberder en kouder wordt,
Die als een herfststorm op mij stort
en alles rukt en breekt tot een leeg ochtendgloren.

O Gij, Die neemt, vervreemdt, verstoot, en zoekt en vindt,
Die bindt en blijft bekoren,
Die steeds arglistiger mijn angst omspint
en mij verslindt
tot op mijn beenderen verslindt,
Wien k ducht en vlucht, en toch moet toebehooren...





67





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 22-04-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 13-08-2011