lijst van werken
vorige bladzijde




A V O N D


God, de avondzon,
het goede gras en mijn goede broeder boom
ik houd mijn hand aan zijn koelen stam
in alle dingen zijt Gij nu mild.
De witte wolken: werkend schuim:
opstapelend, omhoog schuivend en uit elkaar zakkend,
en de warme brand wisselend erin
van de zon achter de heuvlen.

Zoo vreemd-zacht treedt Gij opeens op mij toe ik durf U
[niet te herkennen.
De weelde van het rijpe koren: uw zingende nabij-zijn.
En de groote nog komende vreugde:
de oogst, het maaien, het binnenhalen,
wagens beladen met koren:
't zal worden ons dagelijksch brood
en welke halm zal iets van zijn vrucht mogen geven om U
[te zijn.

Dezen Zaterdagavond ik durf U niet te herkennen.
Rust, en uit de stallen warme zoete reuken.
Het land uitgestrekt, opengekeerd naar U als de ontvangende
[armen van Sint Franciscus
dank en verlangen.
Een stil boerenmeisje dat gaat biechten,
zij loopt geruchtloos over het heldere plein
aandachtige handen wiedden het gras uit de hoeken;
alle verlangens worden wit, ongekend wit glinsterend-
witte bergtoppen tot U.
Aan onze lippen is een liedje van vroeger.



17





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 22-04-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 12-08-2011