lijst van werken
vorige bladzijde




G E B E D


’t Zou zooveel schooner zijn, wanneer ik slechts
Uw schaduw was,
de schaduw van uw voet,
en Gij de prediker die over d’aarde ging.
En stondt Gij stil, ’k stond met en bij u stil,
en gingt Ge loopen, ik ging aanstonds mee;
ik zou van U zijn, altijd bij U zijn, dicht aan uw voete’ en Gij
zoo àls Ge zijt: groot boven mij.

Gij zoudt dan spreken, en de menschen luisteren;
het woord zou schoon zijn, klaar en ongestoord de geest
die de gedachten vormd’ en sprak,
en over mij, een stille regenboog,
uw hemel-wijde, zacht-doorzonde Liefde;
ik kon niets doen dan luisteren en enkel stil ontvangen,
ik zou van al uw Liefde ’t diep geheim verstaan,
van iedren Liefde-klank den zoeten klank onthouden,
en geen, o geen die wist, dat ik bij U, hier aan uw voeten was:
’k was van geen daad, geen droom, alleen van U, van U altijd.

Nu wordt uw Liefde alleen een enkle maal
maar zoetst en stil vermoeden, zoetst verlangen, nooit bezitten,
nu kwelt mijn traagheid U, uw grootheid mij,
nu kwellen wij elkaar, — terwijl ons schoonste denken
slechts peinzen is
op een stil samen zijn van mij bij U, van U bij mij.

Nu moet ik spreken (en Gij naar mij luisteren),
spreken met zwakke stem, spreken de dorre geest van mijn
[traag vleesch,



13





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 22-04-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 24-06-2010