lijst van werken
vorige bladzijde



ALLEENSPRAAK TOT DE AARDE

Dit wilde ik nog zeggen, – dit, als laatste stille
woord op uw vijandschap die ’k onverstaan verdroeg:
geen overmeesterde zo onvoorwaardelijk mijn willen, –
éen zijn en aards met U, Aarde, mij nooit genoeg!
Doch onaflaatbaar folterde uw onverklaarde
afwijzen van dit brandend en zichzelf verterend hart:
noli me tangere.. . Ook gij, al-goddelijke, Aarde,
handhaafde de verdeeldheid – die allengs de prille
verlangens van dit hart verwilderde, met smart,
met smart die zelfs geen God, geen tederste, kon stillen.

Toch: éens zal ik in u voorgoed te loor zijn, schone
Aarde en onvervreemdbaar samen met uw grond, –
uw grond, die mij nooit duldde, die mij nooit volkómen
deed dele’ in uw aan alle dier en plant vervuld verbond:
de vogel zweeft droomstil door ’t zonlicht langs de velden,
het landschap ademt zo vertrouwd, als in de morgenstond
der wereld toen geen tweespalt nog uw rust ontstelde,
doch ik, die slechts ú vond, u onverdeeld behoorde,
dool eenzaam afgewezen in uw schoonheid om,
o onverbiddelijke, die elk samenzijn verstoorde.

Doch eens, éens zal geen eenzaamheid, geen vijandschap meer deren
mij, die nooit ander schoon buiten uw schoon verstond:
dan zal ik grond zijn, vocht en vruchtbaarheid, en weren
kan mij geen vijandschap uit uw begeerd verbond:
mijn handen zullen handen zijn: aanvaarde overgave,
mijn hart zal openstromen en in u vergaan
en, in uw heimelijksten levenswil begraven,
vervloeien en herworden, bloeien en – onbezweken
en onverdeeld van u – nooit, nooit ten ondergaan.
Lief land, iets van u zijn; iets van úw vrome spreken!










53





















volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 09-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 01-07-2010