lijst van werken
vorige bladzijde



AARDE

I

Hij bleef, alléén gelaten, in die verre laan
waar het doodstil was, en geen naderen
van lichte voeten wenkte in te gaan. – Over de bladeren
die te bewegen vreesden, straalde een klaarder licht
dan hij ooit zag, – maar ’t was of allen waren heengegaan
en weggevlucht om hèm, die toen droef dralende
en eenzaam om zich staarde.
                                                   – Ach! of géén hem riep
dat hij toch kómen zou in dezen tuin waar diep
en zacht een Water klaterde, dat zó helder en teder
zong door de stilt’, dat hij zich niet verwijdren kon
en niet te naadren waagde.
                                                – En een droef wenen
brak zacht en tranenloos naar zijne oge’ en dwong
hem het hoofd te wenden in beschaamd verstaan –
henen te gaan van deze zuivre tuin, waar hij niet hoorde – –
ene ontwekene, een vreemde, die nooit deze oorden
der zaligen naderen zou.
                                            De blijde laan
scheen plotseling droef en donker, en toch kon hij
niet gaan, niet gaan.

























53
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010