lijst van werken
vorige bladzijde



PRAIRIEPAARDJES

zij draven, vluchten; hoor, de verten branden
onzichtbaar en dof en alom in de wind;
door het vlagende waaien, ’t verraderlik waaien
dat een scherpe rooknevel spint
– vergeefs! zij bleven belaagden:
zij stuiven uiteen langs een vlammenrand
en vluchten terug naar het eerste land;
wervelen in angstige kringen
langs vlammen die oovral opdringen

zij huivren; deinzen bijeen –
– wacht de dood, déze dood op elkeen?

: de zon brandt somber en duister
en de wind sliert de rook om hun lijven
tot een gore honende luister;
en rode vuurgloed loeit, en vlammen drijven
hen rugwaarts samen
op al smaller land:
alles bedroog,
de verte loog,
de prairie staat in brand!

– o morgens! toen stralende winden
hun sterke schonken omwoeien;
toen de stromende zon langs hun lenden
met hun waaiende manen ging stoeie’, en de gronden
van honderden donderende hoeven
de komst mijlen verder verkondden!
nú spatten de grassen vonken,
verten en luchten verzonken,
vlammen en rookwolken sluiten
de steigrenden hoonlachend in.

zij rennen in wervlende kringen,
zij rennen verwilderd, en dringen
de vonkende vlammenrand in – –

verten en luchten vergingen . . . .









42
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 23-05-2010