lijst van werken
vorige bladzijde



ELIAS

(Koningen III, XIX)



Moe en stil zijn zij te Bersabee gekomen.
Toen wees Elias’ hand den knaap, die naast hem ging.
,,Laat mij alleen’’ – Want de vertwijfeling
had tot den dood van hem bezit genomen.

Doolde verwezen voort, een eenzaam stil verdriet
dat U, ook nu, om geen erbarmen durfde smeken –
nu hij gezwégen had, nu hij den knaap verliet
vóór zijne nood diens pril geloof zou breken;

nu hij vervreemd en leeg voorbij Uw waan ontwaakt,
verzweeg hoe alle deemoed eenmaal slechts stilte laat;
hoe hij, zijn leven gevend Heer voor Uw onlesbre Dorst,
alleen zijn zonden-schuld klaagliker ging ervaren

,,ik ben niet meer, niet meer dan zij die voor mij waren’’, –
hoe dan al moed vermoeit, alle verlangens
aan het verraden hart als zware ketens hangen;
hoe wànhoop deel en doem van alle boete wordt . . . .

Niets, niets geschiedde; einders, einders lang
brandden woestijnen; ’t brandend zand verkoolde
zijn voeten die hun eenzaamheid afdoolden
(hoopte hij toch?) een middag, avond, heel een dagreis lang.

Weende dien avond niet, wéénde al lang niet meer.
Vroeg om geen redding, lei zich zwijgend neer.
Groef zijn doorgroefd gelaat in het woestijnzand-branden
en smeekte ,,Neem mijn ziel, mijn menselike schande

wèg van Uw Aangezicht’’, – en zocht vergetelheid
voor U, Die eens zijn jeugd zo lieflik had verblijd . . . .












36
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010