lijst van werken
vorige bladzijde



Toen heeft dit wondbaar, naar Uw lichte hoogten hunkerende kind-hart
z diep en roekeloos met het vermorzeld Christus-Lichaam saamgeleefd,
zo diep met deze hoon,
zo durend dorst dit hart zijn diepste schoon verlochenen
en altijd dieper tot Uw duister in te gaan,
dat eenmaal ook zjn lichaam, huivrend en beschaamd, ontbloeide:
vijf rode wonden,
vijf donker-rode bloemen die al leven uit hem zogen,
vijf bronnen, eindlik, van het dipst Geluk.

Toen greep zijn schone ogen door Uw Licht verwoest,
zijn teedre handen, en zijn voeten die zo hoopvol snelden
naar Uwe verten, door Uw Bloed geschonden,
zijn hart met Uwen Dood doorboord
zijn ziel de ziel van t Zonnelied alom:
,,O! broeder Zon, o broeders Boom en Dood,
als gij slechts willoos in Zijn Handen leven,
beven in Zijne Winden, in Zijn Storm zich haavnen,
al leven in dit vuur verteren, gn,
wanneer Hij zegt, ga nu, en doden wat Hij vraagt,
en even staamlend zingen mogen als Hij zegt: het worde licht en lente
anders, anders niet.




Toen is de tere huIs van t lichaam
snel gebroken; het kn dit durend vuur
niet blijvend hoeden; het keerde weer tot stof
gelijk de schaamle hut dit kort verblijf
waarin hij boette en bad, en soms glimlachend staarde
naar t lieve, vrre land der hem vervreemde Aarde.




Hij was in samen-zijn een stil-bevangen knaap,
te tder, en te schuw; en snel
gekweld, en kwellend meende hij dwaalde hij heen,
dieper naar t ongerepte zingen in hem ingekeerd
dit ver en stil geluk, waarin hij veilig scheen . . . .










22
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010