lijst van werken
vorige bladzijde



ALVERNA

Hij daalt omlaag: een stille baan glooit verder. Vrder dan deze Berg
vrder dan deze koele tuin waar zilvren licht milder
het zachte groene welven van den grond omtrilde.
Hr, hr de kleine vogeltjes
fluiten zo schoon;
hun strakke keeltjes zingen met zoet geweld
het Hooglied van hun stil
vervulde staren naar het Witte Lam.
o hr, zij aarzelen, en zijn zo aarzlend stil
nu zij de grote lofzang van de honderd duizenden Vertroosten horen
wier droefheid de Getrouwe
zo diep heeft gestild.
hij ziet slechts Christus die het kruishout torst,
wr kent hij nog alleen den Onvertrooste,
den Smarten-koning en het steeds vergeefse:
Zijn Leed en Liefde op deez donkre aarde,
het Lam, het Offerlam.

nu heengaan, nu niet zien
vanwaar t hem medenam,
niet weten het waarheen, niets vragen, dalen
voorbij dit schoonste oord en delen
het hunkerend leven
met dit vergeefse, dit verworpen Lam . . . .

Hier riep geen zee, geen verre rimpelende zee
van teder-glanzend licht; een brandend zand, een al-verterend vuur,
een hete woestenij waaraan geen einde komt.
zijn voeten bloeden en zijn handen beven. Zijn ogen branden
en zijn tong verschrompelt droog; hij strompelt, tast, en vallend,
verschroeit een woeste zon dit teder en aanhanklik vlees
dat een steeds verder zingen weerloos moest behoren,
een altijd dieper, onvertrooster,
dwazer eenzaamheid. Een zwart blad was hij
wervelend neergeslingerd uit een heet samoen
in n onafzienbaar veld van al bedelvend zand en dood verloren,
werelden verder dan de laatste mens, werelden vr
zijn schoonst visioen verloren.










20
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010