lijst van werken
vorige bladzijde



Gij zijt de koopren zon, de grondloos-blauwe lucht en wij
enkel het water, het kanalen-water
grondloos door Uw blauw verdiept;
en witte schepen zeilen – Uw genaden –
van zee tot zee; laat het zo mogen zijn; wij eeuwig ’t helder water
huivrend en spieglend in Uw diep
gestild.’’

Hij glimlacht, nadert. stamelt; de Hovenier
zegt slechts
                    ,,Raak Mij niet aan’’
                                                       en gaat.

Een verre Stem:
                              ,,Deze is Mijn welbeminde Zoon,
alleen aan Mij
weze dit groot behagen.’’

Franciscus wankelde

en wist dit witte argeloze einde
de droeve donkre aanvang van een laatste gang.

lachte beschaamd om zijn vermetelheid,

en ging
























19
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010