lijst van werken
vorige bladzijde



DE NACHT

toch ging hij. bang en stil ging hij dien onbekenden weg.
hij wist: hij zou zijn droeven God héél moeten toebehoren.

Vroeg niet waarheen, noch waar,
en zag niet op, noch om.
hij dwaalde biddend, huiverend,
door ’t vaal verdriet van het verbloeide Westen,
een verder zingen haastig tegemoet.

zijn hart? – Gods waatren stroomden woest en niet te keren.
Gods waatren stortten beukend op de lieve gracie van dit teder oord,
klommen alom en groeven, scheurden vratig, donker-diepe zeeën
– Franciscus, argloos, wachtte
eenvoudig-trouw, Gods milde scheppingswoord.

o hoon! o hinderlaag! een wilde wind vloog koud en striemend voort
over de eindloosheid der hoge wateren, – al antwoord
voor dit hart
                     dat alles liet, allen vergat
om U.




Dit pad ging heen. hier daalde niemand neer. hier doolden allen
van den Wrede heen, vloekend den Trouweloze
die nooit schutse bood

: de rotsen klommen dor en woest en immer hoger;
geen zon drong meer in deze doodse stilt; eeuwen geleden
verteerde hier het laatste schriel gewas;
hier bloesemde nooit lente –
hier klaagde’ alleen de stormen en een steen
die plotseling luid-galmend in een afgrond sloeg . . .

hij aarzelde.

dan drong hij dieper dit verworpen rotsland in.










17
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010