lijst van werken
vorige bladzijde



DE KNAAP

Hij was in samen-zijn een stil-bevangen knaap,
te téder en te schuw; en snel
– gekweld, en kwellend meende hij – dwaalde hij heen
dieper naar ’t ongerepte zingen in hem ingekeerd –
dit ver en stil geluk, waarin hij veilig scheen.

O klaarder licht, waar hij dan lachend liep,
glimlachend aarzelde – een blijde verre knaap
nabij dien blijden tuin, Uw hemels zingend lied,
dat zó meeslepend en zó helder riep . . .

– Een vreemde pijn werd hij, een teedre roep,
een knááp, – die weende om de wereld die hij liet,
een donker-wilde àngst. – En angst dreef hem
ter droeve vlucht naar ’t stug gareel terug –
de trage dágen die al droever werden
van ’t kwetsend samen-zijn, dat niets vervulde.



Maar ademend de zilvren winden, als een geurend licht
uit wijde heemlen naar de aarde stromend,
de zaden en de kiemen aadmend in dit dwaze alom-waaien
aan ’t lijf dat siddrend zijne spieren spande –

plotsling zichzelf ontwarend, hoe hij stond en ging, plotseling woest
van eigen kracht vervoerd; vermetel brekende
uit alle havenis zijn ònverwoeste schoon –
besprong hij, driest en hel lachende, d’onmetelike ruimten,
kliefde, een ijzren kracht, de zware kracht der zee,
vierde de onbeheerste wasdom en het alom-heersend licht – – –
en wist,
             een later uur angstig zichzelve naadrend,
                                                                              hoe zijn bloed,
’t onstuimig bloed der Aarde te diep levend, eenzamer nu,
om roekelozer tochten riep, – om ene Stèm . . .
een Stem, die koninkliker krachten wakker riep.











13
























volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 04-05-2005 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 21-06-2010