lijst van werken
vorige bladzijde
24



M e e s t e r,   w a t   m o e t   i k   d o e n. . . ?

(strophen)



Al wat ik van U zeg, zeg 'k van mijzelven
en blijft bevangen in mijn eigen woord, -
tot U, waarlijk tot U kan ik nooit delven,
Gij zijt Degeen, die slechts zichzelf behoort.


                 - - - -


Zou God nog schooner zijn dan deze Aarde?
O, zie de pracht die Hij ten leven riep,
waarin ik dwaal en baad, - Ik kan God niet beminnen, -
te schoon, te schoon is reeds, wat Hij als spiegel schiep.


                 - - - -


Ik kan niet mr beminnen, Aarde. - God, verloren
voor U hebt Gij met al dit aardsche schoon mijn hart.
Ik kn geen grooter liefde toebehoren, nooit te voren
hebt Gij, met Uwen spiegel, en zo zoet verward.


                 - - - -




























volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 27-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-03-2010