lijst van werken
vorige bladzijde
23



S o n g    o f    I n n o c e n c e


Ik dwaal nog in de heldre morgenstond der tijden,
den schuldeloze wind, het droomloos dier verwant;
al dit is schooner, in zijn diepe aardsche vrede,
dan 't altijd-arm reiken van het schoon verstand.

Het hooge twistgeding, de droom en drift der eeuwen,
vervreemdde als de tweespalt van een laat getij, -
ik ben weer in mijzelf besloten en volkomen
als 't maagdelijk geboomte in 't paarlend licht der Mei,

als de vervulde zomerstilte waar een vogel
eenzelvig en gelukkig zingt in 't koele blad; -
er is geen weten meer, - ik werd de kennisloze,
't weer stil en overwoekerd, weer-voorwereldsch pad.

Hoezeer vernederd door de lage smaad der zonden
en elke trots getrouw, - ik werd dit alles niet;
ik ben gebleven als de Aarde - ongerept haarzelve
in al wat haar aan smaad of vruchtloos schoon geschiedt.

Ik werd het diep vergeten, het niet meer verbeiden,
het laatste van al leed en vreugde werd volbracht;
'k ben weer alleen, met God, leven van vor de tijden
dat, in zichzelf verzonken, in het daglicht lacht.

Ik dwaal nog in de heldre morgenstond der tijden,
al wat voorwerelds in zichzelve bleef verwant, -
Ik hoor het teder ritslen der volmaakte grassen,
ik ben mijn oorsprong weer en mijn geboorteland...



























volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 27-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-03-2010