lijst van werken
vorige bladzijde
20



"H e t    i s   z e e r   a a r d s c h   z i j n . . ."


Uit uwe zuivre handen wil ik onbevreesd aanvaarden
't mij duister-toebedeelde, ruwe lot, -
gij zijt mijn souverein en schepper, Aarde,
uw wet, hoe wreed, vervult den wil van God.

Niets wondt zoozeer als 't worden dezer aarde
en is zoo vroom en groot en God gewijd, -
al worde' is worstlen, 't worstlen dezer aarde
ootmoedig, d' eeuwen door, om haar volkomenheid.

Alwie har zelf-ontvouwen en zijn deel doorgrondde
doorstroomt een vaste, felle en trotsche kracht, -
hij werd van 't droefste en bitterste ontbonden:
een God, die vol meedogen om ons willen lacht,

en altijd maant, kastijdt, tot godlijke verbonden.
God is veel schooner. Naar zijn beeld schiep Hij
- schooner dan wroeging en haar wee verstonden -
Aarde's onschendbare almogendheid.

Alles is worden nog, nit reeds-geschonden;
de wereld is nog ochtendlijk en lacht,
nog lentelijk, niet neergestort ten gronde
uit een volmaakten staat in duisternis en nacht.

Hoe somber, alverdelgend en verbijsterend
een diep verdeelde wereld woedt en strijdt, -
uw heldre rampen, Aarde, zuivren teistrend
tot altijd schooner macht en majesteit.

Door God in U gegrondvest wil 'k aanvaarden
mijn deel, 't zij doem of zege, in Uw trotsch bestaan,
U wil ik niet ontvluchten, kuische, wreede Aarde,
U wil ik vroom en trouw en trotsch zijn toegedaan.






















volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 27-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-03-2010