lijst van werken
vorige bladzijde
6



I k     B e n . . .


In het ontelbaar ruischen van de blaadren
ben ik en ruischend blad en onbemerkt moment,
in het aljaarlijks keerend zomerloover
een snel vervlogen zijn dat drie seizoenen kent,
en lente, zomer, herfst van al de vele
die worden en vergaan in aarde's schoon torment.

Ik ben een blad dat voorjaarsstil ontvouwde
zijn nerf en vederlichte, eerste tederhen,
en, hoe besprongen door 't almachtig woeden,
altijd toch sterker bleef dan t stormen om hem heen
en, weerloos in zijn klein eenzelvig groeien,
stil en standvastig slechts zichzelve scheen ...

Ik ben een blad en ruisch op grote ruimten
en in mij woelt en stuwt een eeuwig levenssap,
ontembaar en onsterflijk; doch kortstondig
onhoorbaar ruisch ik mee, en al wat ik bezat
aan drift en blijde oneindigheden was mij
als een die dit, ook dt, als nit zichzelf, vergat

Ik ruisch verloren tussen blaadren en seizoenen,
maar ng bespeelt mij lente's wijde wind,
ik hoor een vogel onverganklijk zingen -
een lied dat, blijde en helder, eindloos herbegint
om zon en verte' en bloeien. - Maar eens, later,
als herfst dit alles rooft, komt er wellicht een kind,





























volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 27-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-03-2010