terug naar werken Henri Bruning
vorige bladzijde



U W   W E Z E N   N I E T


uw wezen niet, uw schoonheid niet,
dringt ooit mijn denken binnen.
slechts in uw schepping laat ge - mij -
een iets van u, een niets van u,
ach, onvervuld, beminnen.

gewend naar u - neen afgewend
naar ít beeld, het aardse schoon -
mag iets gekend van ít ongekend
Beginsel door de zinnen,
mag iets onthuld van ít ononthul-
baar mateloos Beminnen.
een lofzang zijn - neen, lofzang niet
maar stameling - de dingen;
daarin aanschouw ik, neen, aanschouw ík
bedekt, uw al te schoon gelaat,
hun schoonheid vouwt een vleuglenpaar
voor de Ongeschapene, die, Alleen,
en Ondoorgrond, Bestaat.

hoe laat ge, onverbidlijk, mij,
vervuld van u - vervuld van u? -
zo onvervuld beminnen, -
o volheid aller dingen . . .



33





















volgende bladzijde
Inhoud



aangemaakt: 18-02-2001 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 05-03-2010