terug naar werken Henri Bruning
vorige bladzijde



2

Toen hij nog knaap was, wist hij wel de zin
van scherpe zeisen die het koele gras afsneden;
wanneer de halmen uit het zomerleven gleden
keerde hij vreesloos tot dit zingen in.

Hij zat dan bij het beekje en hij zag de groene velden,
en ít water, langzaam stromend langs het geurend gras,
dit eeuwig water dat niet zong maar enkel helder
en stoorloos spiegeling en eeuwig hemel was,

een stoorloos vlieten tussen oevers die geen loop beknelden,
een helder bewegen zonder duur, vreugde of droefenis,
de grassen voedend en de overvloed der zomervelden, -
en wist hoe alle sterven weerkeer en geen heengaan is.

Hij luistert naar de vrede van de zomer en het water
en als de aarde is zijn ziel stilte en zekerheid:
hij weet zich als het gras, en als de zomergrassen
waardoor de maaiers komen is hij voorbereid.







8





















volgende bladzijde
Inhoud



aangemaakt: 18-02-2001 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 05-03-2010