lijst van werken
vorige bladzijde



358 G U I D O   G E Z E L L E,   D E   A N D E R E

vorige bladzijde Toen leefde hij vervuld en verstild Gods Liefde als het wezen van Gods waarheid en als het wezen der aardse werkelijkheid. Hij verlangt niet meer naar God als een beroofde, die van deze aarde niets verhoopt, als een bezoedelde die slechts wroeging is, schendigheid, kwaad in al ’t gewrichte, die hunkerend uitziet naar verlossing, eindelijk, uit deze smaad en foltering van alle dag; hij verlangt naar God omdat hij reeds hier zozeer Gods vreugden en zoetheid heeft gesmaakt, omdat zijn aardse leven hem reeds een voorsmaak van de hemel heeft gegeven. De blijdschap in God doet hem hunkeren naar de volheid Gods, het onvolledig genieten naar het volledig:

verlaat mij, ’t leven zelf en de alderliefste dagen;
verlaat mij, woord en werk, gevoelen, tijd en taal...


Hier is geen sprake meer van dat verslagen ik-bewustzijn dat hem eertijds deed spreken van zijn ‘droef geboorteland’ of van ‘een leven van de dood’. Eerst wanneer zijn ziel, die vrede en stilte is, zich bewust wordt van ‘’t eenvoudig enkel zijn, / waarin God zelve alleen heeft kracht en wederschijn’, wordt alles – wordt ook al het hier in God genoten schoon – kerker, slavernij, beroofdheid, en ontaarding van de geest; eerst dŕn overmeestert hem, zij ’t op andere wijze, het verlangen naar ‘de oplossing van het eigen zijn’, dat Klein Wassink, Jaspers’ gedachten samenvattend, als volgt omschreef – in een passage die ook anderszins, met name waar hij spreekt over ‘das Gesetz des Tages’, verhelderend is voor het plan waarop Gezelle’s leven zich beweegt: “Das Gesetz des Tages’, waarin wij in rust en in klaarheid trouw zijn aan onszelf en aan wat ons in onze historische situatie gegeven is, is toch niet zonder keerzijde: ‘die Leidenschaft zur Nacht’, de hartstocht waarin de mens het Zijn direct tracht te grijpen, met doorbreking van alle grenzen. Deze ‘Leidenschaft zur Nacht’ streeft niet de vervulling na van existentie in de transcendentie, die toch altijd gedeeltelijk blijft en niet buiten het compromis om kan gaan, maar de oplossing van het eigen zijn, juist ook als existentie, om volkomen op te gaan in dit duistere Zijn, dat dus gezien wordt als het Niets, als opheffing van alle gedeeltelijke en onvolledige zijn, en als de niet-meer-te-vatten-grond, van waaruit ik ook ben opgerezen: ‘aus der Nacht kam ich zu mir’.’ [16] Verlaat mij, ’t leven zelf en de alderliefste dagen... volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 22-12-2009 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 17-10-2014