lijst van werken
vorige bladzijde



Z I J N  D R A M A 271

vorige bladzijde heeft zin zich van de inhoud dezer verzen rekenschap te geven. Zij verraden ons wèlke mens er over de mensen gezwegen heeft en: dat ook deze gevoelens in het drama van zijn verhouding tot de mede-mens doorstaan en teruggedrongen werden. Het is goed zich van deze achtergronden bewust te zijn. Misschien komt daardoor ook Gezelle’s zachtmoedige menslievendheid in een ander licht te staan. Het is niet allemaal zo argeloos en vanzelfsprekend geweest. Misschien vermoedt men iets van die ‘humilité, qui est la vertu (naïve et) divine des saints’. – “Kennst du, mein Bruder, schon das Wort ‘Verachtung’? Und die Qualen deiner Gerechtigkeit, solchen gerecht zu sein, die dich verachten?” vraagt Nietzsche. Gezelle kende inderdaad de verachting. Doch hij heeft nooit anders beproefd dan ‘gerecht zu sein’ door aan het onrecht, hem aangedaan, stilzwijgend voorbij te gaan en de mensen stilzwijgend te blijven dienen. – Dat Gezelle over de sinistere realiteit van de mens practisch levenslang gezwegen heeft, dat geen woorden van verguizing of haat over zijn lippen zijn gekomen, had een andere ondergrond dan een niet-kennen of ontkennen van de menselijke werkelijkheid. Deze twee oogkleppen behoorden allerminst tot de uitrusting van deze grote, onverschrokken mens en priester. Maar zoals Urbain van de Voorde terecht schreef: ‘wat hij haatte heeft hij maar liever verzwegen’. In 1862 schreef hij aan Thijm: ‘Daer is nog christelijk leven, christelijke bloei, christelijke dichting mogelijk, daer leeft nog iets ideaels bij de studenten (bij de priesters?) dat ik zou willen hebben’. Nochtans heeft hij met geen woord deze twijfels aan de priesters van zijn dagen ooit openlijk uitgesproken. Zijn gedichten over het priesterschap zijn slechts vermaningen, en hoogstens aan de toon soms bespeurt men, vermoedt men, hoezeer hij hier een teleurgestelde was. Ook over de sombere, uitzichtloze afgrond die zijn tijd voor hem was, heeft hij slechts weinig gesproken, doch eenmaal vraagt hij (en het is de laatste vraag van een de profundis):

Zijn ’t eindelijk niet des werelds laatste tijden?

en elders – over het geloof sprekend, over de vernielde boom van het goddelijk leven op aarde – treurt hij:

De dorre boom des levens, volgende bladzijde




















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 22-12-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 16-10-2014