lijst van werken
vorige bladzijde



D E   N I E U W E   M E N S 247

vorige bladzijde ontvluchtte. Dat was de grote bewogen ruimte, de diepe vrijheid en vreugde, de smart, de angst en de vrede waarin de levensboom van zijn geloof zich voedde, ademhaalde, leefde en groeide.
    Maar evenmin als de zomerboom, die in zijn staat van boven-aardse voltooidheid een grote honger van licht en leven drinkend leven is, een ontkenning is van het onder-aardse levensproces, van de wortels waarmee hij in de grond geworteld staat en daar levenssappen optrekt, evenmin ontkende (of miskende) Gezelle Christus en de Kerk, - maar zijn leven, zijn liefde, datgene waaruit zijn liefde eerst waarlijk ‘lust en leven’ hulde, datgene waardoor zijn werkende liefde het sterkst werd gevoed, was wederom de Oorsprong geworden: De Vader, en was voor hem de schepping die voor hem - en niet zo geheel ten onrechte - nog het woord der Liefde was vóor alle schuld en breuk, het laatste dat de mens nog van zijn Oorsprong, het Allerzuiverste, gebleven is. - En, nietwaar, kon de boom liefhebben, zijn liefde ging immers evenmin allereerst uit naar de onontbeerlijke grond, - en de grond, kon hij spreken, zou hem dat terecht ook verbieden...
    Neen, Christus en de Kerk zijn allerminst bijzaak geworden, - maar het ontstellende was lange tijd geweest, dat zij ophielden hoofdzaak te zijn. Het ontstellende was toen, dat Christus en de Kerk, eens zijn heiligste hunkeringen allerdiepst verzadigend, doch voorbestemd om alleen nog grond te zijn, ophielden (waarom? hij wist het niet) die glanzende, hem gans omvattende, hem gans voedende ruimte te zijn waarin de levensboom van zijn geloof zo groot en schoon was geworden. Voorbestemd om deze grond te worden, zonk hun leven uit de ruimten weg, werden de ruimten ontledigd van hun leven. Het ontstellende was die ontluisterde, ontledigde ruimte, het verschrompelen van takken en bladeren als het enige dat hij waarnam, het verdorren van het edelste boomleven, en het was in de vertwijfeling van dit tempeest alsof ook geen grond hem meer voedde. Eerst toen het tempeest van deze Umwertung was opgeklaard, bleek een nieuwe, geheel goede wereld ontstaan, een nieuwe, heldere vrede, - doch waarin de vrede van vroeger nauwelijks meer herkenbaar was. De smeekbede ‘Uw bloed op mijn hoofd, op mijn voorhoofd’ behoorde definitief tot het verleden.

Het geheel persoonlijke van de Umwertung, datgene waardoor deze volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 17-07-2009