lijst van werken
vorige bladzijde



D E   N I E U W E   M E N S 221

vorige bladzijde en goddelijk inene. Zijn woord kon een bron van gans nieuwe liefde tot God openstoten, een Godgenieten van volkomen andere en heerlijke dimensies, precies zo anders, precies zo nieuw, precies zo reëel als zijn eigen Godgenieten, - een genieten weliswaar van een ‘doodgewoon mens’ en via de zinnen maar, en via de aarde, maar toch een deelhebben, diep en bijna lijfelijk, aan een verrukkende Realiteit, aan iets (iets?) van Gods glorieus lievende Hart, aan iets (iets?) van het Binnenste Zijner ziel vol glorie en genade, vreugde en trouw. Zou dit alles ook niet een nieuwe wèrkende liefde losstoten in de mens?!
    Meent men dat dit alles onbelangrijk was, of dat Gezelle niet bespeurde wat er zich in hem, en blijkbaar in hem alleen, afspeelde en wat hij vertegenwoordigde? Al deze realiteiten waren toch, blijkens zijn poëzie, zijn léven: de grote bezieling ervan. En wat hem van de anderen onderscheidde kon hij dagelijks voldoende constateren: ervaren; en dat ervóer hij dan ook; en eenmaal te smartelijker omdat hij in het geheel niet de dupe was, zoals men wel gesuggereerd heeft, van een laaghartige haat, - doch daarover elders in dit boek. Gezelle kon inderdaad bij ogenblikken het bewustzijn hebben: ‘God! ik alleen ben uw priester op aard’; maar beslissender was, dat hij besefte, dat wat hij ontvangen had en geworden was, hem gegeven was ‘om ’t U weder te geven’. Hij moest toen als zijn verterende onrust het weten meedragen: ‘doch geve ik het niet, o mysterie van God, Gij laat het en ’t blijft U verloren’... En als alle groten en geïnspireerden bezat hij het bewustzijn - en niet ten onrechte - dat met zijn verschijnen op deze aarde een waarheid (i.c. omtrent God en de mens) haar intrede in deze wereld had gedaan die met hem weer uit deze wereld zou verdwijnen als hij haar niet tevoren aan die wereld had toevertrouwd: een waarheid die hem alleen behoorde, en die ook niemand anders dan hij zou kunnen uitspreken. Vandaar de onbezweerbare innerlijke dwang en drang om het hem - en hem alleen - toevertrouwde in zijn woord algeheel te zijn: om zijn dichterschap te zijn. En dan: voor ons, die thans Gezelle’s werken lezen, is Gezelle de mens en dichter in wie de grote motieven der religieuze bezieling tot een nieuwe, persoonlijke synthese zijn gekomen; met zijn woord heeft hij aan de stemmen der aarde, aan de stemmen der Kerk, aan het koor van hen die Gods lof verkondigen, een geheel oorspronkelijke stem toegevoegd, - want waarlijk: hij behoort niet enkel tot de allergrootsten die de Lage volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 16-07-2009