lijst van werken
vorige bladzijde



D E   N I E U W E   M E N S 205

          vorige bladzijde een wonder ding
het zingt het blinkt het klinkt


Gezelle, die aan zichzelf het leven als een scheppend worden had ervaren en in de natuur de dood als een worden ten leven, kòn het leven niet zien als een werken en worden van neutrale, blind-verdelgende, blind zich ontplooiende levenskrachten. Met dezelfde bewogen eerbied waarvan Hölderlin vervuld was toen hij de stem der aarde had vernomen, zag ook Gezelle, schoon op een ander plan, in de schepping en haar scheppend wòrden ‘heilige’ krachten werkzaam en hij - deze homo religiosus - moest toen geloven:

Wij zijn bemind van Hem en uit Zijn handen
gevallen gaan wij weêr tot Hem die doet
weêr eeuwig vaste zijn de onvaste banden
van ’s herten lijdend liefdevat. Schept moed!


of zoals hij dit elders formuleert, in zijn sublieme Hier ben ik:

      Het middent al
      terug naar U,
’t gewordene uit Uw’ handen;
      en toomend houdt
      Gij alles in
’t onmijdbare Uwer banden.


Dit geloof berustte bij Gezelle op een persoonlijke en daarom onvervreemdbare zielservaring. Hij kon niet buiten deze ervaring treden, buiten deze ervaring om de dingen beschouwen. Door dit geloof ook, in het leven als een in wezen scheppende, heilige, goddelijke realiteit, ontkwam Gezelle tevens aan de ontbindende werking, waarmede de cosmische vervoering ‘Eines zu seyn mit Allem, was lebt...’ (Hölderlin) al te snel eindigt. ‘Het lijkt aanvankelijk bevrijdend, uit de menselijke eenzaamheid in dit immens-verwante toevlucht te kunnen nemen,’ schreef de jonge dichter Van der Molen, ‘maar juist in deze totale relatie vindt de dichter zich bij uitstek op zijn eenzaamheid-als-mens teruggewezen’, volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 15-07-2009