lijst van werken
vorige bladzijde



170 G U I D O   G E Z E L L E,   D E   A N D E R E

vorige bladzijde ook met betrekking tot zijn priesterschap bespeurde hij, dat een vroegere orde en onderbouw ondergronds uit hun voegen werden gerukt. Nu de schoonheid der aarde de homo religiosus in hem vervoert, nu het vermoeden groeit dat het zijn grote mogelijkheid, zijn speciale bestemming is, God via de schoonheid der waarneembare schepping te openbaren, nu voelt hij ook het priesterschap zoals hij het tot dan toe had geleefd en liefgehad (en hoe puur en prachtig heeft hij het liefgehad) van zijn liefde vervreemden – en op het spel staan? Niet zozeer in deszelfs verrichtingen, want hij kon wel altijd een toegewijde parochie-geestelijke blijven en de werken hem opgedragen dienstbaar en vol liefde volbrengen; en Christus bleef immers, hoe ook van Hem als Gekruisigde door een afgrond van blijdschap verwijderd, waarheid en werkelijkheid voor hem (al was het alleen maar door Zijn sublieme liefde- en deugden-leer). Maar in de ziel van zijn priesterschap, in haar geheimste aandriften, in die laatste liefde en bezieling welke alle priesterlijk handelen wezen, waarheid en gedaante verleent, voelt hij zich een andere liefde en waarheid worden. Want waar hij zijn ‘priesterschap’, zijn liefde is, is hij geen priester meer essentieel in dienst van Christus en Christus gekruisigd, maar wezenlijkst, allerdiepst, in dienst van God, van de Vader en diens schone aarde. En dit laatste priesterschap wordt allereerst verwerkelijkt door de verrichtingen van de dichter, want slechts als dichter kan hij zich op het niveau van zijn waarheidsverstaan uitspreken. En de perfectie van dit ‘priesterschap’ (dat in de tweede periode de essentie van zijn dichterschap is) veronderstelt, niet als bijzaak doch als bloedige ernst, het perfectionneren van de dichter: het veroveren van al de geheimen van het woord, het bestendig verfijnen van de taal tot een instrument dat in staat is de subtielste aandoeningen der ziel, de heimelijkste waarnemingen der zinnen waarneembaar te maken en over te dragen. Deze overgave aan het woord en aan de scheppingsact, deze a.h.w. ‘heidense’ verrichtingen – ‘heidens’ vergeleken met die van zijn vroegere priesterlijke werkzaamheid toen hij, arm en deemoedig, slechts voor Christus gekruisigd getuigde – werden de verrichtingen waaraan hij, en hij alleen (: ‘doch geve ik het niet...’) zich moest wijden, wilde hij zijn priesterschap, zoals hij het had verstaan en als rechtvaardiging van zijn bestaan onderging, realiseren, – en realiseren op dat hoge plan waarop het alleen gerealiseerd kňn worden. – Zouden er dan niet, in die jaren van overgang, toen zijn vroegere priesterschap volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-09-2009