lijst van werken
vorige bladzijde



168 G U I D O   G E Z E L L E,   D E   A N D E R E

vorige bladzijde terwijl dit alles gebeurende was, verwijderde hem, gelijk we zagen, de tempel der natuur tevens, ergens, van de Kerk, die, voorheen, eveneens de grote waarheid en bezieling van zijn religieuze persoonlijkheid was geweest. En terwijl de tempel der schepping de Kerk tot een verwijderder werkelijkheid voor hem maakt, randt nog een andere ervaring zijn vroegere verhouding tot Haar aan, en het is alsof hij in alles verraden wordt, zlf verraad wordt.

Als jong en vurig priester heeft Gezelle zeer eenzijdig de Kerk vor alles gezien, verheerlijkt en onstuimig bemind als goddelijke instelling, als Christus bruid, als de bezitster en behoedster der Waarheid, als uitdeelster van alle genaden. Ook hierdoor was hij zich geheel zuivere reactie zijn eigen realiteit, zijn eigen onwaardigheid, bewust geworden, en dit beschaamd zelfbesef had hem ervoor behoed (eveneens een geheel zuivere reactie), zich dieper in te laten met de boosheid en onwaardigheid der anderen. Tijdens de rauwe, meedogenloze botsing zijner roeselaarse jaren werd hij echter plotseling van aangezicht tot aangezicht geconfronteerd met de menselijkheid der Kerk (en toen ook, nogmaals, met zijn eigen menselijkheid; deze toch gold zijn eeuwig herhaald waakzaam!), en ongetwijfeld ging daarmede voor hem, de al te argeloos vervoerde, binnen die goddelijke Kerk een afgrond open. Deze bestaat niet enkel, zelfs niet allereerst hierin, dat ook alle misdrijven der mensen zijn terug te vinden in haar historie op aarde, maar hierin, dat zij in haar waarneembare daden precies zo menselijk op het goddelijke reageert als zij in haar gelovigen en vertegenwoordigers menselijk is, hetgeen vooreerst betekent: dat het goddelijke ook binnen de Kerk, waar deze menselijk, al te menselijk is omringd blijft door dezelfde miskenning waarmede reeds het menselijk-superieure overal en altijd omringd blijft; en vervolgens: dat deze miskenning (door schuld of anderszins miskenning blijvend) zich met dezelfde natuurlijke wetmatigheid tot haar onbarmhartig einde aan het goddelijke voltrekt als waarmede zij zich aan het menselijk-superieure voltrekt, en dat, dar en dn, ook het goddelijke zonder menselijke tussenkomst en zonder goddelijke consideratie aan die wetmatig zich voltrekkende miskenning is uitgeleverd. Met deze kant van het menselijke is niet alles over het menselijke gezegd (slechts gesignaleerd wat zijn noodlottigste consequentie is ten volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-09-2009