lijst van werken
vorige bladzijde



N I E U W E   M O T I E V E N 149


bebouwt; die, algebiÍnde, gaat
alleene; die geen schade en laat
u schenden; heerlijk zongespan,
wie is ít die, u geleken, kan,
van al Gods werken, schoone zijn,
o schoonheid van den zonneschijn?


Doch na de laatste acte der aarde zal ook dit machtige zonnelicht tot God terugkeren Ďalzoo de vogel kwam, dien NoŽís hand in de arke namí:

Zoo neemt u eens, als, moe en mat
gevaren over ít wolkenpad,
gij rusten zult, met al dat is
geschapen na Gods beeltenis...
zoo neemt u eens terug, die al
uwe afgebeelde schoonheid zal
verbergen, daar Hij mij verbeidt,
in de arke Zijnder eeuwigheid.


Met dit voor alle mens en ding gelijkelijk stille gebaar wordt alle grootheid (en droefheid) dezer wereld door God beŽindigd: beŽindigd met die souvereine rust van de Eeuwige, voor wie ŗl dit toch niet meer kon zijn dan het kleine kortstondige spel van de duif van NoŽís ark. Ė Werd hier opnieuw het Ďnietsí van alle geschapenheid tegenover God herkend men zou kunnen spreken van een cosmische al-eenheid in geringheid Ė het is toch niet meer als vroeger het nietswaardigheidsbesef van de wroegende die zich zijn verworpenheid voor God bewust is; het betreft hier een oorspronkelijker weten Ė nog vůor alle zonde; het weten van een verstild en liefdevol zingende, die iets van de menselijke grootheid leerde verstaan als het plan waarop zich alle leven voltrekt. En daarmee is een geheel ander bewustzijn omtrent grootheid en kleinheid van de mens gegroeid en voorgrond geworden. Hij is teruggekeerd tot God, letterlijk, als Ďeen gescepterde koningí...

Nog anderszins wijzigden zich de accenten grondig. Het folterend besef van nietigheid en verworpenheid, dat de jonge Gezelle ten overstaan van volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 05-09-2009