lijst van werken
vorige bladzijde



114 G U I D O   G E Z E L L E,   D E   A N D E R E

‘den zuiverlijken schoot van moeder aarde’, en deden hem, de priester, eveneens spreken van dat verlaten oord ‘waar nooit / noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!’ Deze moederlijke aarde inspireerde hem ook tot die schone strofen, waarmede hij iets voor hem zeer wezenlijks zou vertolken:

Mijne oogen troost het boomgewaai,
      dat groene is, te allen stonde;
maar liever zie ’k, als alle groen,
      het groen, te platten gronde.

Den moederschoot nabij, en nog
      maar eerst eruit gekropen,
den borsteling gelijkt het, die
      zijn hert heeft zatgezopen.


Of dit andere:

Die verschgeroerde grond
      hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
      heeft toegestaan
der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,
en die de goede lochten
des lentenweders wekt,
in ’t eerste kruiduitslaan!


Inderdaad, men kan zich, voor deze tweede periode, Gezelle’s natuur-eros in oorsprong niet aards genoeg voorstellen, niet dicht genoeg bij de aarde, niet dicht genoeg, letterlijk, bij de grond. Zijn natuur-eros heeft in oorsprong niets spiritueels meer. De aarde vervoerde hem hier niet omdat zij hem van God sprak, maar omdat hij, eindelijk, zag wat de aarde als aarde, de natuur als natuur was, – en eerst dáarom vond hij er God. volgende bladzijde





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 01-09-2009