en vormde dit vast weten onrust tot een rust,
een rust waarin de branding donkre glorie zong.

— — — Wat hoedde hém, temidden der geschondenen?

Toen sprak hij. En zijn spreken klonk
alsof hij nacht was, zee,
nacht-zwarte zee,
waarin een land verzonk.

,,Roep tot geen schoonen strijd mij naar uw front.
Ik hoed een haat, — den haat die ook mij hoedde
toen hun verachtlijk knechten liefde na liefde schond.
Néén! voor geen schoone toekomst vecht ik
als ik mij eenmaal op mijn vijand stort.
Mijne granaten
wreken de roof, dat ik niet één geloof behield,
dat ’k haat als m ij n genade overhield,
mijn rust, mijn ziel, mijn kracht,
mijn glorie en mijn doem; ik wreek mijn ziel, mijn aarde:
mijn eerste, jonge, lichte eeuwigheid — door hen vernield.
Dit wreek ik, en dit eene wreken zeker weten
hoedt,
scherpt mijn rust. — Roep
tot geen schoonen strijd mij naar uw front,
ik hoed een haat,
die dieper dan hun knechten schond."

Toen trad hij langzaam naar de samenscholing der vernederden
­terug, en zijn gestalte
was als een harde knots, een sombere,
zóo sombre wil en trots, —
en pijn, en pijn,
om dit vernederendste, laatst verbond . . .

59























aangemaakt: 19-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 17-12-2009