lijst van werken
vorige bladzijde





II

Toen, als een groot stil vaan
werd een windstreep ten hemel geheven;
diep onderaan
kwam een wolkje gedreven
speelsch als een meisje; alles glimlacht;
hoog dreef het door den hoogen zomermiddag.

Het steeg door de zengende gloed
een roerlooze stilt tegemoet,
het steeg, en diep hing
als een vreemde zeebloem zijn spiegeling –
overmeesterd, verwoest, bedolven
onder vuren zonnegolven.

Heel in de verte verdwijnt
het; ook de meeuwen waren verdwenen,
de windstreep vervloeide.
De hemel is klaar, en weer leeg; de hemel
en de zee zijn alleene –
hun gespelen verdwenen.

Allen zijn moe en bang
van dit barre lichtgezang.









36





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010