lijst van werken
vorige bladzijde



V A R E N S

De brooze varenbogen, boven de waterspiegel staande,
spreidden hun dunne schaduw op licht’s gouden grond;
een rimplen reefde het fijn zongefonkel
dat langzaam slanke cirkels om de stengels wond.

Niets stoorde deze door groen licht beschenen vrede;
in dit klein oord, dit stille glansgebied
schenen de droomen van een eenzaam heden
hun stem te vinden en eenzelvigst lied.

O watertuinen, schooner dan het blonde voorjaar –
wat is zoo innig als het zachte ruischen van een wel,
het wieglen van teer groen en het onhoorbaar
vonken van watertorren in wat licht en schaduwspel.

O, deze simple rust – het eenige ons soms gebleven
als de verworvenheid van zooveel vreugde en nood;
water en zonlicht riepen dit ten leven, – –
water en zonlicht dreven dit ten dood.

De brooze varenbogen zijn weldra bezweken;
nu is de bedding, weer een zwart moeras, hun donker lot;
dit ondoorgrondlijk water, roofziek, wintersch en verlaten
is als de stilt waarin ik sta, is als het hart van God.









18





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010