durft naar de olifant niet kijken. »O zo!« roept hij weer, en ’t publiekje lacht lustig en rustig.

    En komt het gedweeë hondje dat als het moet dan onder zijn snuffelen door wel wat toertjes wil doen — het hondje is oud en moe, en »och, als ze nu graag willen lachen« — het clowntje bazig=verwaand »niewaar!? niets biezonders!« en het andere clowntje minachtend »kan ik ook, kan ik ook«.

    Maar dàn klimt in de mast, met enkele lenige rukken tot boven aan, de witte akrobaat met prachtige bruine kop. En met het hoofd naar omlaag hangend aan één been — de rode lus als een bloedstreep over zijn voet — duwt hij zich af met het ander en verrijst, wijd zijn armen uitgespreid, hoog boven de menschen als een heilige: zegevierend=wit en gespierd. En van angstige spanning beginnen de publiek=handjes te zweten en is het publiekje blij als hij suist langs de mast naar omlaag; en hij weer is gewoon mens onder de mensen.

    En het goede publiekje met oranje programma’s leest namen en klapt, en leest namen en lacht binnen de wankelheid van het tentwerk.

    En de ochtend na de derde voorstelling is alles verdwenen.





16



















inhoud



aangemaakt: 09-10-2000 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-08-2011