OPGANG


Ook wij, toen wij jong waren, dachten
dat de weg naar het Nieuwe Leven
blijde en wijd, één fiere veroovring zou zijn.
Hoe dachten wij die weg? — Een strijd.
Hoe dachten wij die strijd ? — Een brede baan zingend bestegen
in licht-feesten, van onverwinbre en staal-harde kracht. Be-

gééstering —
een wapprende banier, de vaste daavring van d’eigen stap
naar ’t hoogtepunt
waar wij fier-zegevierend neerschouwen zouden over
de vruchtbre, donker-groen glooiende valeie’ aan onze voet.
Begeestering: zij was in d’aadren een driftig-schuimende stroom
steigerend neerstortend langs schotse rotsen
naar ’t eindeloos, zwaar-aadmend zonneveld der zee.
Wij werden veel verslagen — maar altijd, altijd opnieuw
richtte ons op het jong Geloof,
stuwde weer steigerend-wild de drift door de aadren
: ’t vertrouwen in die schóne opgang naar het Leven:
God was met ons, om Gòd was onze strijd.
Hierin verschilden wij met al die andren die
vochte’ om ’t Nieuwe
Leven — maar zonder God.

Maar wij, wij de boodschappers, wij de wervers met de onstui-
mig klapperende vendels,
wij die jong en hartstochtlik wilden de éérsten zijn,
die vooruitsprongen, ons losrukten uit al wat oud en dood was
en de donkere klop van ons bloed betoomde en moorde,
maar nog niet wisten hóe het Nieuwe was
— wij wisten niet wàt het ons vróeg

Langzaam begrepen wij. Toen Hij ons nam, geleidelik, ’t een
na ’t ander,


49






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011