IV


Rest mij, na al, niet meer, dan n dood-stil landschap
wat oude huizen, wat stompzinnige mensen
n kroegtafeltje en een pot donker bier
moet k k dt worden wat die ndren wensen;
na al, niet meer, dan (met verveeldheid)
wat werk te doen, wat rond te scharrelen en dan te sterven.
Mijn hart is dood. Mijn liefde ligt aan scherven.

De nderen: ik sidder naar hun pijn
(k lig als een stil luipaard aandachtig op een prooi te loeren):
k wil niet en k met nu een der hunnen zijn
: mij rest, na al, alleen: over n pot bier hn aan te koekeloeren.
k Klauw in mijn prooi. Daarna:
k lach achteloos-minachtend. Zonder pijn.
Mij rest niet meer.

k Wn slechts: met aandacht wreed te zijn.
Wil ik dit net
dan rest mij niets: mijn hart is dood, mijn hrt werd mij
ontrouw.
t Is niet mjn schuld:
ik had verdriet,
maar toch nog meer geduld.
Rest mij dan nets? Rest mij dan niets dan armoe en wat kou,
een zolderkamertje, wat stommele op donkre gangen?
Rest mij niet mr, niet mr
na al de pijne en vluchten van mijn zwaar verlangen?





48






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011