II


Vergeef me, zo ’t hart de moed mist te verwachten,
zo het Uw gunsten voorts wantrouwt,
vergeef m’ — hoelang bleef ik niet wachten,
hoeveel heb ik mijn handen, Vader, niet
niet tevergeefs ontvouwt.

Vergeef mijn hart,
vergeef me, ’t kan niet meer fluisteren
,,Geheiligd zij Uw Naam’’,
’t kan niet meer luisteren
dat ’t weet Uw Wil, dat Die geschied’ op aard.
: Uw Naam, Uw Wil — —? Gij waart mij nìmmer zacht,
maar zo, zó honend-wreed had ik U niet gedacht.

Ik heb zolang in U geloofd
en altijd hebt Gij mij beroofd.
Al uwe vreugd werd bittre pijn —
toch wild’ ik weer altijd bij U zijn.
Maar nu: Gij riept, ’k sprong toe, ’k sprong in een zwaard —
Gij hebt mijn hart in ’t hart geraakt.
Mijn hart is koud, mijn hart is dood
— en trekt het nog wat na: ’t snikt eve’ en is weer dood.







46






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011