DE DODE VOGEL - I


In zveel vreugden heb ik geloofd
: vreugden van U
van alle hebt Ge
                              me zwijgend beroofd
maar nooit, nooit waart Gij zo wreed als nu.

Gij kwaamt. Gij zei: Kom. Zie, hoe is dit schoon.
Ik beefde zacht, of ik verstond: mijn vriend, mijn zoon;
en zei: Vader, t is t schoonst. Gij gaaft. Ik aarzelde, ik zei:
Is dt, is dit voor mij.
Hieldt Gij mij dit bereid.
O Vader, nooit, o nooit begreep ik U.
Maar nu
Vader heb dank, heb dank voor al mijn eenzaamheid,
k weet U genegen nu over mijn vreemde strijd.

Gij gaaft, Gij gaaft. Ik nam het bevend aan.
O God! wat hebt Gij toen gedaan.
Neen neen, niet z, niet z, niet dt mij weer ontrukt o God.
Gij keekt mij nog niet aan.
                                        Gij zijt weer heengegaan,
als altijd heengegaan.

O God, wat hebt Gij mij gedaan.






45






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011