HET GEVECHT


Is dit ’t gevecht waar Gij mij indringt:
dat Gij mij slaat, en ik mij maar laat slaan.
— Sla toe, sla toe, ik zal niet wederslaan,
mijn saamgeknepen mond zal U verslaan.
Sla toe, sla, tot Ge moe wordt,
tot ’t medelijde’ Uw Hand verlàmt
Maar geef, geef m’ééns het leve’,
geef eens het leve’ aan al mijn hongerig’, ontembre, saam-

geknepen kracht
dat z’uit kan breken, uitschreeuwen, eindelik: één schreeuw,
één zegeschreeuw.
— — —
Neen neen, niet zo, zo is niet ons gevecht.
Dit was de kreet om ’n slag die t’onverwacht, te fel mij trof.
Vergeef.
Neen neen. Gij wilt mijn vriendschap. Die beproeft Ge nu,
nietwaar? nietwaar?
en anders niet.
Zij vochten lang en wreed: Uw Liefde en mijn standvastigheid,
maar vinnig niet, niet vinnig — zo was niet onze strijd.
Nietwaar? nu gaan we weer glimlachen, Uw ogen in mijn ogen,
wanneer Uw Hand mijn polsgewrichten wringt en ik ze wrin-
gen laat:
Gij hebt me lief en Gij zijt mijn betrouwen,
en ééns, nietwaar, o! ééns! zal ’k zachtjes mogen zingen,
zachtjes neurieën
’t verblijd koraal-gezang
van pijn en Liefde en wijde Vader-zegen.





44






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011