DE WONDE VOGEL - I


De zware lauwe regen van één ruimteloze nacht.
: weer wiegt en waait de lente ijl

over mijn moe-gebogen eenzaamheid
: zong niet,
                  zong niet mijn lemen fluitje,
                                                               nacht en dag,
het kuise schuifel-ritme van haar jonge lach
                                    die kwam
                                    — en ging.

Waarom,
Vader, waarom.
Waarom, opnieuw, die donkere verholen dool van mijn rood
bloed.
— het wiegde zo verstild, en stiller nu op ’t ritme van haar lach.
Zo grijze pijn,
                   zo dof en moe verdriet
                                                      wordt deze dool.
Gij wondt wel wreed,
                                 vreemd-wreed.
Waarom.

Mocht dan dit al te eenzaam hart
niet zo onstuimig zijn.







41






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 10-08-2011