DE LANTAARN-OPSTEKER


Hij is een kleine, oude man:
hij doet mij aan Zacheus denken.
En werd ook die niet, toen de Meester kwam,
een dier geringen die wij nooit gedenken.

                            *    *
                               *

Langzaam, over en weer, en iedre avend, gaat
van paal tot paal, van straat tot straat
zijn sjofelheid:
die ziet niet op, die ziet nooit op:
zijn arbeid is gering en in een poovre wijk,
maar schamelst t aandeel aan het grote leven.

En hij weet niets van t zachte beven
der blijde kleine lichtjes die achter hem onduiken:
zijn arbeid is gering: nooit was hij voor iets anders te gebruiken.

Even ziet hij omhoog als hij de lamp aantrekt
daarna zakt weer zijn hoofd omlaag.
Hij niet,
en niemand ziet,
                     hoe n ogenblik het licht
stil om zijn schouders vlaagt.

Hij is een kleine oude man:
n jongen achter hem blaft
,,sjok - sjok - sjok.
Hij, in gedachten, altijd in gedachten, loopt met zijn lange stok
als n oude patriarch met zijn staf:
zijn hand omklemt hem blij en zacht,
zijn oog genegen en afwezig lacht.


38






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011