droef-klagend komt
genaken:
en aan de zwarte doden-kransen van de tuinen
waarin geen zon, geen mens, geen bloem, geen blad,
en aan dit kind, dit kind, dit lachend lichte kind in deze,

deze stad;
aan heel dit wreed angstig vergaan van deze late middag
n Allerzielendag,
                            n westerse
                                            en naakt-verlaten biddag.

k Wt U, k hb U, Gij zijt in mij, om mij
: Uw ademen waait, waait geheimzinnig over deez dode
wereld en onze oren luisteren
en onze lippen, onze lippen fluisteren
(en onze ogen staren stil, vreemd-stil, vreemd-groot
in dit vreemd samenzijn van Leveen dood):
,,O mens, Gij weet het niet, gij weet het niet, maar over ons,
over deez dode tijd
waait geheimzinnig Gods Almogendheid.
Zij is in u, in mij:
o! menschen maakt uw harten vrij:
de wereld is zo oud en voos
en wij zijn machteloos.


















37






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011