II


Ziet, wij zijn machteloos:
de wereld is te oud en voos.

Maar welvende, van kim tot kim, over de wereld Uw Al-        

mogendheid
en ademend uit ieder ding, uit elke mens, hoe vreugde-
loos en ver,
in ons zacht-deinende bewogenheid
als om de Kerstnacht-ster.

In alles heb ik U, wr ik nu ga of sta.
Dit holle en sombere Zondagmiddaguur
zijt Gij zacht-neuriende lust, zacht-ademende rust.

k Heb U aan al die kameren waar vaal nu middag staat:
n oud man alsof het starend licht ontwaakt
en aan schrikkende nerven raakt
beweegt en beurt zijn dunne hand.
Hij schaduwt langzaam langs de wand.
Hij is zo moe.
Als onder water gaat hij, onwerkelik, droom-bleek nergens
geluid:
het grijze najaarslicht drijft hem vooruit
drijft zijn beklemming op het venster toe.
En aan het zware zwarte raam even verschijnt
zijn moe gelaat t verdwijnt:
verzonken weer in t kamerdonker
hoor hoor t verlaten praten in de straat,
hoor hoor het dwalend blinde gaan der mensen in de straat.

Ik heb U aan die brede verre drom
doodskisten: star sam-gedragen daken
waarover t langzaam dies irae der verlaten kruinen


36






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011