waren en onze voeten moe en onze ogen beangst en ont­gocheld, gehavend aan onz’ onwetendheid omtrent de mensen — zagen wij over de wereld Uw Barmhartigheid. En Deze heeft onze ogen stil gemaakt en onze mond standvastig. Wij danken U voor onze angst en pijn.

    Gij, die gekruisigd hingt tussen aarde en hemel, hebt niet gevraagd naar gaven en daden. Ons, die onverzadigbare diepte van ons hart hebt Gij gevraagd, en anders niet. Dat Gij ons zoudt bespelen als een sellist de sello-snaren, en Gij, verborgen Beiaardier, vanuit de diepste diepte van ons hart, ieder bewegen van ons lijf zijn ritme geven. Wij danken U voor onze eenzaamheid en voor Uw weigering. Neem nu bezit van ons. Weerstaan w’U niet.

    Gij — Gij zijt de kiemkracht der kleine zaden.
    Gij zljt de lauwe voorjaarsregen en zijn vruchtbaarheid.
    Gij zijt de zon die weer de aarde nadert. Gij zijt de hoge open koepeling der koele luchten.
    Gij zijt het zuchtend openbreken van de zware aarde.




















35






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011