INKEER - I


    Gij — Gij zijt de kiemkracht der kleine zaden.
    Gij zijt de lauwe voorjaarsregen en zijn vruchtbaarheid.
    Gij zijt de zon die weer de aarde nadert. Gij zijt de hoge koepeling der koele luchten.
    Gij zijt het zuchtend openbreken van de zware aarde.

    Zo zijt ook Gij, niet wij, die de vermetelheld van d’oude tijd wankelend samenstort — zo is de Nieuwe Tijd ook d’ar­beid van Uw Hand.
    Zo waart ook Gij het toen ons lichaam niet bezweek dat uur waarin Gij geest en hart ontredderd hadt.
    Zo zijt ook Gij het blijde beven en het gelaten dragen, ieder bewegen van ons kloppend hart; Gij zijt de klank van onze stem, het ritme van onze tred, het glanzen onzer ogen, de pijn en vreugde van ons hart en hoofd. Wij zijn het werk, en iedere dag opnieuw zijn wij het werk, geheel, van Uwe Hand.

    Wij zijn het dode lijf waarover Gij Uw Lichaam uitstrekt. Wij zijn het dode lijf dat Gij ten leven wekt.
    Wij trekken een kruis over ons lichaam, en dit bedenkend, zijt Gij ons nabij: Gij zijt het blijde beven en het gelaten dragen, ieder bewegen van ons kloppend hart.

    Gij hebt ons zwak gemaakt, heel klein, Heer God wij danken U. Toen onze armen moe waren en onze voeten moe en onze ogen beangst en ontgocheld, gehavend aan onze onmachtigheid — zagen wij over de wereld Uw Almogend­heid. En Deze werd onze armen een vreemde kracht en onze ogen zoetste lafenis. Wij danken U voor Uw beroving.

    Gij hebt ons rusteloos opgejaagd met angst en pijn om de mensen: Heer God wij danken U. Toen onze armen moe

34






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011