VI


Wat is mijn hart voor u, dit ne hart,
dat wil gebroken zijn om uwe grote nood,
t Breekt nooit gehl.
en nooit, wat brak, geheel om .

En ls het brak, gehl, en heel om
wat is dit ne hart dan nog bij uwe nood.
n Nodeloos brood, nu z vlen om voedsel vroegen.

Maar wt,

als t breken van dit altijd-menselik en zelfzuchtig hart
nit algeheel was, nit
alln om ,
nit, nit die blijde offerdood voor al zijn Broeders.
Een schuw gekweld gaan. n altijd zich schuldig voelen
(ogen, ogen klaagt mij niet zo aan),
n lange angst
                    om al de hongers die het nooit verzaadde
en nooit verzaden kn.

En stadig klaagt een pijn
in iedre eigen vreugd:
aan iedere vreugd knaagt t onrechtmatig voorrecht,
en iedre vreugd
                    vervreemdt zo van uw nood.

Ik blijf een doelloos dier dat om te leven eet en om te eten leeft.

Neen neen, er is niets tussen mij en u,
niets van die zingende verwantschap, van die broeder-
gemeenschap die mij verblijdde
want wat ik geven kn: lles: n hart was pover,
en wat ik gf was niets.


33






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011