V


Het waren twee conincskinderen
si hadden malcander so lief
si konden bi malcander niet comen
het water was veel te diep.

Heeft, God, m ’et leed zozeer vereenraamd en verbitterd.
O, dit erbarmen, deez nodeloze hoon:

gelaafd, maar nóóit verzadigd.
Wil ’k méér? méér dan dit klaaglik laven in dééz havenis;
en was mijn havenis Uw stage vragen, God,
en was mijn weren, vrouw, verholen hoon —
neen, neen: Zij komt, Zij komt: zie, zie mijn oge’: één
stameling om deernis,
en zie mijn handen schroomvol naar Uw komst bereid.

Zij komt, — en is mij niet verstoord.

— waarom, waarom, o God! — ik wil geen pijn Haar doen,
ik heb Haar lief,
                              ik wéét, ik wéét, ik heb Haar lief —
waarom wordt weer mijn tederheid in mij vermoord.







Broeders, mijn broeders om wie ik leed, om wie ik een­
zaam was —
liet ik, met Haar, te ver,


31






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011