Broeders, zo vreemd-innige, zo heimelik-ontloken gemeenschap groeide tussen u en mij; zo zoet-vervoerend ging een verwantschap wimpelen en schuifelen en bloesemen tussen u, tussen u āllen, mijn broeders, en mij.

Nog eens — o, God! het blijde, het zingende Leven — nog eens woej de Dag open. nog eens, ingehouden, sprong, sprong dit hart uit in de Dag:

Broeders, mijn broeders, hier is mijn hart. Eerst nu, eerst nu kan ik uw broeder zijn.

Hier zijn, hier zijn, al, al mijn nederlagen, hier zijn mijn ogen die van pijn verdroogden, hier zijn mijn wonde, moede handen, hier zijn mijn wonde, moede voeten, hier zijn, hier zijn

āl mijn gebroken dromen,

āl mijn onverzade hongers, āl mijn nooit gelaafde dorsten.

Broeders, o Broeders, nu zal stuwen een zekerheid vast, onweerhoudbaar-vast mijn rode bloed. Mijn hart is sterk, ’t leeft, ’t leeft nu als nooit te voor. Neen neen, mijn han­den, mijn handen die altijd werden omlaag-geslagen, kunnen nu niet, kunnen nu nķķit meer worden geweerd. Ik ben uw broeder door mijn leed. Gij allen zijt mijn Broeders, gij allen. O! hoe het nu juicht in mij, hoe nu het leven bevend open­zingt, hoe ik nu alle mensen, alle dingen teder-genegen ben. Mijn Broeders, mijn Broeders, voor wie ik lijden mag.









27






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011