schuchtere drang naar tederheid iedere dag stilzwijgender be­groef. En ge wist niet, ge wist het niet — maar mijn hart was ëëns een teer-zingende en fijn —gebouwde vedel Hij stiet kapot, kapot, als zoveel anders dat kapot stiet.

Maar gij, gij hoordet niets dan het springen, het vals springen der enkele snaren.

Uw lach, uw lach vooral heeft mij gehavend.

Mijn hart, wist ge dit niet? o! dat ge dit niet wist! — mijn hart was ëens zo’n kleine zoemende diabolo: kinder­handjes wierpen het op, in kinderhandjes viel het terug, ’t danste op kinderhandjes.

O, dit bestendlge geneurie, alle dagen, van mijn onver­zade hart — het heeft mijn gelaat en mijn stem langzaam en gans gehavend.

Maar uw lach, uw lach vooral.

Ik was een bitter mens:

een die verwilderd greep naar bloemen, en bloeiende tak­ken neerrukte, en de ogen van die hij ontmoette wilde zien samentrekken van pijn.

Ik heb u zo wreed gehaat, u die alles werd gegeven, ik (waarom? ik wist het niet) die alles weerloos werd ontnomen; u, die niets verlangdet, ik, wiens lange leven één zwaar, wreed-schoon verlangen was.

Maar ook dit, deze haat, werd weerloos verslagen: de wilde angst voor me-zelve gleed door mijn bloed.

Maar uw lach, uw lach vooral versloeg me.

Niets bleef me, niets, van al mijne blijdschappen, niets van al de wilde driften mijner rijke rode dromen, van al de ont­roeringen mijner tederheid, van al mijn ruige, hartstochtelike levensliefde. Nederlagen leed ik, waar ik mij keerde.

Mijn stappen dwaalden des daags eenzaam gevangen tus­sen muren van vale steegjes en in den avend keerde ik weer en mijn armoe schreide aan het trieste raam zonder uitzicht: schreide haar weerloos leed.


25






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-08-2011